[an error occurred while processing this directive]

Het Egyptische Koningsgraf.

(Times-Carnarvon-dienst; nadruk verboden.)

Loeksor, 21 Maart.

Sinds mijn vorige telegram hebben de heer Howard Carter en zijn staf allerijverigst gewerkt aan de voorwerpen, die uit het graf van Toet-ank-Amen waren gehaald, niettegenstaande het feit, dat het voortdurend warmer wordt en dat er drie dagen een "khamsin" woedde, met slechts een dag van koelte ertusschen.

Gelukkig is het graf van Seti II tamelijk koel vergeleken bij de temperatuur, die in het overige deel van de Vallei der Koningen heerscht; en de wetenschappelijke staf heeft zooveel mogelijk partij getrokken van de afwezigheid van belangstelling van den kant der bezoeker, welke de sluiting van Toet-ank-Amens graf hun heeft bezorgd. De laatste dagen hebben zij echter veel te lijden gehad van wespen, die tengevolge van het warme weer talrijk voor den dag zijn gekomen. Deze wespen worden blijkbaar aangelokt door sommige ingrediënten, die worden gebezigd voor het prepareeren van voorwerpen, die uit het graf zijn gehaald. Tenminste, de wespen toonen thans een belangstelling voor wat er in het laboratorium voorvalt, die bepaald hinderlijk is.

Carter en zijn assistenten zijn bijna overweldigd door de ontzaglijke hoeveelheid detailwerk, die er te doen valt. Den ganschen duur van de laatst verloopen tien dagen is er gewerkt aan de voorwerpen, waarvan reeds gemeld werd, dat zij werden behandeld: o.a. de troon, de rustbedden, het vergulde kistje met de jacht-tafereelen etc. en verder de inhoud van die kisten en kistjes. De meeste van die zaken zijn thans definitief ingepakt; maar het is tot dusver onmogelijk geweest, een van de ongeopende doozen aan te roeren. Als een voorbeeld van wat het werk van inpakken alleen al meebrengt, kan worden gemeld, dat er niet minder dan drie dagen noodig zijn geweest om den troon op bevredigende wijze te verpakken.

Geen doos kan ongeopend worden verstuurd. De inhoud moet er eerst worden uitgehaald om behandeld te worden; en het is een van de groote moeilijkheden voor de vaklieden, dat — als een gevolg van de gezamenlijke actie der roovers uit den tijd der dynastieën, die vele doozen hadden beschadigd en den inhoud ervan hadden rondgestrooid, en die van de opichters der doodenstad, die gepoogd hadden de orde in het graf weer te herstellen door de verspreide zaken op te rapen en vele dingen in de dichtst voor de hand staande doozen te stoppen, een groot aantal voorwerpen en de erbij behoorende zaken in verschillende doozen zijn terechtgekomen. Dit beteekent, dat in sommige gevallen de ontbrekende deelen van sommige voorwerpen, die gevonden zijn in enkele reeds geopende doozen, naar alle waarschijnlijkheid niet eer zullen worden aangetroffen vóór de laatste kist zal zijn doorzocht. En daar geen enkel voorwerp wordt ingepakt, vóór men weet, dat het geheel compleet is, verzwaart dit in aanzienlijke mate de taak der deskundigen.

Er wordt gewerkt van 's ochtends 8 tot 's middags 4 uur, met een uur onderbreking voor de lunch; maar zelfs al wordt — wat in overweging is — ook op Zondag doorgewerkt, vreest de heer Carter, dat het onmogelijk zal zijn vóór midden-Mei met het werk te komen. Al de deskundigen zijn er ten zeerste op gesteld, het werk zoo spoedig als maar kan tot een eind te brengen, want de bijna tropische toestanden, die van nu aan — en in steeds toenemende mate — in de Vallei der Koningen de heerschende zullen zijn, vormen geen aangenaam verschiet.

Onder deze omstandigheden is het uitstel van de beëindiging der werkzaamheden voor nog een maand — de beëindiging was tot nu toe op midden-April bepaald — waarschijnlijk de treffendste illustratie van de nauwgezetheid, waarmee de heer Carter en zijn staf zich kwijten van de zeer verantwoordelijke taak van het verzekeren — voor zoover dat menschelijkerwijs gesproken mogelijk is — van een veilige overbrenging van deze schatten naar Kaïro.

Loeksor.

De geschiedenis toont ons weinig persoonlijkheden van zoo groote beminnelijkheid als de Ketter-koning, (Amen-hotep IV, later Iken-Aten.); maar zijn beminnelijkheid deed den val van zijn dynastie voorspellen. Hij liet geen zoon na, en op zijn dood volgde een periode van verwarring, van welke de duur door de meeste autoriteiten op 8 jaar wordt aangegeven, totdat de sterke hand van den krijgsman Horemheb het werk van den herbouw van den verstoorden luister van het koninkrijk weer ter hand nam. In deze 8 jaar werd in opvolgende perioden de troon ingenomen door drie nevelachtige koningsgestalten; en het is mogelijk, dat er toen nog meer tijdelijke usurpators geweest zijn. Een van de drie nevelachtige koningsfiguren was die van Toet-ank-Amen. Maar de periode, waarin hij aan de regeering was, is zoo duister, dat er niet weinig geschil heeft bestaan omtrent de groote data. Degenen, die 8 jaar aannemen als de duur van het tijdperk tusschen den dood van Iken-Sten en de machtsaanvaarding door Horemheb, stellen gewoonlijk drie jaar van de acht op naam van Toet-ank-Amens onmiddellijken opvolger Aye. Het is mogelijk, dat de onmiddellijke voorganger van Toet-ank-Amen, in het geheel niet zelf op den troon gezeten heeft, doch dat hij enkel als mede-regent van Iken-Aten heeft bestuurd in diens laatste regeeringsjaren. Doch laten wij Smenkara buiten rekening, en houden wij ook geen rekening met mogelijke interregna, die wellicht hebben plaats gevonden, dan blijven er voor den duur van Toet-ank-Amens koningsschap slechts ten hoogste acht jaar over.

Wie was nu Toet-ank-Amen? De meeste autoriteiten meenen, dat hij niet zelf van koninklijken bloede was. Het recht op den troon erfde in die tijden over door de vrouwelijke linie; en het wordt algemeen aangenomen dat het recht van Toet-ank-Amen op de erfopvolging hem gewerd door zijn vrouw, die de derde dochter was van Iken-Aten. De oudste dochter was gehuwd met Smenkara (die blijkbaar ook niet zelf van koninklijken bloede was) en die — naar wij hebben gezien — de onmoddellijke voorganger was van Toet-ank-Amen. De tweede dochter van Iken-Aten was gestorven. Daarom volgde nu de echtgenoot van de derde dochter op. Dit alles moest volgens den regel zijn geweest. Tenslotte was de opvolger van Toet-ank-Amen de priester Aye, gehuwd met iemand uit de omgeving van de vrouw van Iken-Aten, hetgeen bij onstentenis van een beteren pretendent, voldoende aanspraken schijnt te hebben verschaft.

De vrouw van Toet-ank-Amen was — naar wij weten, of meenen te weten — geboren in het 8ste jaar van de regeering van haar vader, die 17 jaar heeft geduurd; zij huwde twee jaar na zijn dood, en moet toen twaalf jaar zijn geweest. Dat was, in die dagen, nog niet overmatig jong voor een huwelijk; en ook valt er niets met zekerheid uit af te leiden van den leeftijd van den echtgenoot. Een volwassen man kon — vooral als het gold zijn recht op den troon te vestigen — wel trouwen met een prinses, die nog een heel jong kind was.

Niettemin zou het volkomen in overeenstemming zijn geweest met het gebruik, indien de echtgenoot — in dit geval Toet-ank-Amen — slechts weinig of in het geheel niet ouder was geweest dan zijn vrouw. Zij waren n.l. reeds als kinderen met elkaar getrouwd. En tot zijn 16de jaar zal hij vermoedelijk door een Regent zijn vervangen. Toet-ank-Amen zou dan — aan het eind van zijn regeering van vijf jaar — bij zijn dood een jaar of achttien zijn geweest.

Het is bekend, dat uit zekere aanwijzingen, afgeleid uit zijn gewaden, zijn standbeelden, en uit den aard van zijn graf zelf, sommige deskundigen die met het graf hebben te maken gehad er — onafhankelijk van elkaar — toe hebben gebracht, dat hij op jeugdigen leeftijd moet zijn gestorven.

Veel van het bovenstaande is natuurlijk niet veel meer dan gissing en er zijn metterdaad personen van gezag, die geenszins al deze conclusies aanvaarden. Er is een blijkbaar deugdelijk bewijsstuk, dat spreekt van een gebeurtenis in het achtste jaar van Toetankhamen's regeering. Zij die dit als deugdelijk aannemen, plaatsen een tusschenruimte van veel meer dan acht jaar tusschen Ikhnaten en Horemheb. Ook is er een even deugdelijk bewijs, dat althans doet vermoeden dat Toetankhamen een broer van Ikhnaten was. In dat geval was hij heelemaal geen jongen meer — waarschijnlijk boven de twintig — toen hij op den troon kwam en moet hij dichter bij de dertig dan bij de achttien zijn geweest, toen hij stierf. Men kan niet meer zeggen dan dat het meerendeel van de gezaghebbende mannen naar de andere opvatting schijnen over te hellen.

Ondanks al deze onzekerheid zijn er enkele vaststaande feiten. Het was Toet ank Amen die ten slotte van den Monotheïstischen godsdienst van Aten, terugkeerde tot dien van Amen en de oude goden. Zijn naam getuigt daar trouwens van. Toen hij op den troon kwam was zijn naam Toet-ank-Aten, na zijn bekeering werd hij Toet-ank-Amen. Hij verliet toen ook de stad van den Horizont en keerde tot de oude hoofdstad Thebe terug. Wij mogen aannemen dat de rampen, die met den nieuwen godsdienst over het rijk waren gekomen, het volk afkeerig hadden gemaakt van de nieuwe goden. Stellig zouden de priesters van Amen al hun invloed hebben gebruikt om het volk in opstand te brengen tegen Aten; de diepgewortelde invloed van Thebe zou heb daarbij hebben gesteund. 't Zij uit overtuiging of uit politieke overwegingen heeft Toet ank Amen toen de lieflijke, doch onheilbrengende ketterij afgezworen en het volk al zijn oude goden teruggegeven. Bovendien heeft hij zich beijverd om zijn aanhankelijkheid aan die goden te bewijzen. Dat wordt afdoende gestaafd door de uitbreiding die hij gaf aan hun tempels te Loeksor en Karnak. Een opschrift te Karnak vertelt van de rampen, die de heilige plaatsen der goden hadden getroffen, toen zij zich van de wereld en haar schepselen hadden afgewend, en van den ijver waarmede Toet ank Amen hun beelden opnieuw oprichtte, de gebroken beelden herstelde, de tempels herbouwde en de priesters en profeten in hun oude ambten herstelde.

Er zijn ook hier verwarrende verschijnselen. Op voorwerpen, die gevonden zijn in het onderhavige graf evenals elders, leeft de vroegere naam van Toetankaten voort tezamen met de latere en meer rechtzinnige (Toetankamen). Er zijn nog andere bijzonderheden, die moeilijk in overeenstemming te brengen zijn met een fellen ijver als de zijne verondersteld wordt te zijn geweest. Sommige dingen hebben zelfs de veronderstelling doen opkomen, dat hij — beu van de aanmatiging van de opnieuw herstelde priesters van Amen — op een gegeven oogenblik weder tot ketterij vervallen is.

Dit wordt zelfs aangevoerd als een uitlegging van de bijzondere wraakgierigheid, waramee na zijn dood zijn nagedachtenis vervolgd schijnt te zijn door Horemheb, toen deze op den troon kwam; want Horemheb schijnt een goed deel van zijn tijd besteed te hebben aan het opzoeken van opschriften van Toetankamen teneinde ze te doen vernietigen. Dat was op zich zelf geen uitzondering in de houding van den eenen pharao ten opzichte van zijn voorganger; maar in dit geval heeft het allen schijn van een persoonlijke kwaadwilligheid. Het schijnt natuurlijker aan te nemen, dat er bij Horemheb een wrok opgekomen was door een of andere grievende daad, die de koning hem bij zijn leven aangedaan had. Horemheb was een krijgsman.

Op het graf van een zijner onderkoningen zien wij, dat Toetankamen schatting ontving van Syrië of Palestina; dit heeft de onderstelling doen uiten, dat hij misschien dezelfde zou zijn als een koning, die ongeveer omstreeks dien tijd een veldslag "in Azië" geleverd heeft. Maar wij kennen geen bijzonderheden hierover en er is ook geen enkele reden aan te nemen, dat Toetankamen een krijgshaftig koning was. Hetgeen wij weten schijnt er eerder io te wijzen, dat hij een zwakkeling geweest is, die al heel weinig gemeen had heeft met den krijgsman Horemheb.

Er is een te Karnak gevonden portret-buste van Toetankamen te Cairo, die niet een robuust man weergeeft. Er zijn zelfs menschen, die in dit uiterlijk kenteekenen van tuberculose ontdekken. Maar wij moeten ons met dat al herinneren, dat het nog niet eens is vastgesteld dat Toetankamen jong gestorven is.

Zou er dan iets dramatischer, ongewoner kunnen zijn, dan de bestaande toestand. Hier zijn wij in het bezit van een massa van de intiemste zaken van den dooden koning — zijn gebruiksvoorwerpen, kleeren, wapens, dingen, die hij dagelijks gebruikte en droeg. Wij hebben beelden van hem en zijn lichaam, daaraan twijfelen wij niet, ligt, zoals het oorspronkelijk gelegd is, vrijwel vlak bij, binnen in die tabernakels.

Maar van hemzelf, zijn leven, zijn daden weten wij bijna niets met zekerheid. Het graf schijnt gevuld met zijn levendige tegenwoordigheid; ieder voorwerp, vol herinnering aan hem, is bijna zoo frisch als op den dag van zijn dood. Maar hij zelf, zijn persoonlijkheid, alles wat hij was en deed, ontgaat ons: een naam, een schaduw, een voorwerp van dispuut en gisting.

(Gedeeltelijk gecorrigeerd.)

Terug →