Het leeghalen van een Egyptisch koningsgraf.

(Times-Carnarvon-dienst. Nadruk verboden.)

Loeksor, 14 Februari

Het was in de buurt van Toet-Ank-Amens graf, en ook erbinnen, hedenochtend druk. Het was een prachtige dag; de hemel was diep blauw en er was geen wind; maar de met den dag toenemende hitte, begint bij het den toeschouwers ietwat onaangenaam te maken. Het is door de trouwe groep kijkers dan ook een ware verademing dat hun waakzaamheid, die thans al bijna twee maanden heeft geduurd, op haar eind loopt.

Vandaag was er zeer veel belangstelling, want een ongewoon groot aantal hotelgasten werd nog versterkt door toeristen, die met stoombooten waren meegekomen. Het is in dit verband opmerkelijk, dat de aantrekkingskracht die door het graf wordt uitgeoefend, een wijziging heeft gebracht in het programma voor de tolken, 't welk tot dusver steeds had gegolden als een wet van Meden en Perzen. Terwijl de gidsen totdusver er in hadden volhard hun protegé's mee te voeren tot het bezoeken van de graven der verschillende koningen, onverschillig wat er op dat moment bij het graf van Toet-ank-Amen voorviel, bleven zij vandaag geduldig op het platform wachten, en lieten zij het bezoek aan de andere graven telkens vallen tusschen de oogenblikken, waarop uit Toet-ank-Amens graf belangrijke zaken werden uitgedragen. Wat vandaag overgebracht werd was uiterst interessant. Zoo b.v. de leeuwen-rustbank, die evenals de Hathor-rustbank en de Typhoon-rustbank in vier stukken werd overgebracht, te weten: het gedeelte waarop men ligt, de beide zijstukken met de dierversiering en het onderstel, waarop die zijstukken passen. Eerst kwam het eigenlijke bed, dat volkomen in ruwe katoen verpakt was, waaromheen banden waren gehaald, die met veiligheidsspelden op hun plaats werden gehouden. Het geheel zag er precies uit als een gekwetste die, verbonden, vervoerd werd; en de uiterst zorgvuldige manier waarop het vrachtje behandeld werd, maakt de illusie nog te completer. Er was een opstaande afsluiting aan het voeteneinde en het geheel was vervaardigd van een harde houtsoort, bedekt met verguld pleister (gesso). Het bed was zoo zorgvuldig ingepakt, omdat het zoo fragiel was, maar hier en daar zag men door de ruwe katoen een gelen schijn, wanneer de zonnestralen het rijke verguldsel troffen. De twee zijstukken met dierversiering trokken zeer de aandacht en lokten heel wat bewonderende opmerkingen uit. En dit was ook heel verklaarbaar; want het zijn prachtig bewerkte stukken. Aan het einde is er een prachtig gemodelleerde leeuwenkop met manen en sierlijke ooren. De staart is lang en naar den rug omgebogen, evenals bij de Hathor-rustbank. De dier-voorstelling aan beide kanten wordt gecompleteerd door de prachtige, en zeer fijn bewerkte pooten, met volmaakt fraaie leeuwenklauwen waaronder de pinnen zitten, waarmee de zijstukken in het onderstel van gepekt hout gevoegd zijn. Aan iederen kant zijn vier richels, waarop het liggedeelte rust; onder elken richel zijn twee krammen die passen in openingen, onder het bed aangebracht. Al de krammen, openingen en richels zijn evenals bij de andere rustbanken het geval was, uitgevoerd in brons en sluiten nog even zuiver in elkaar als waren zij gisteren en niet meer dan 3000 jaar geleden vervaardigd.

Als een gevolg van het krimpen van het pleister is op sommige plaatsen het gouden oplegsel afgevallen, maar dat heeft geen schade toegebracht aan de schoonheid van de rustbank, die — wat aangaat de kunstvaardigheid van den maker en den toestand waarin zij nog verkeert — even schitterend is als het Hathor-bed, al is zij ook minder fantastisch dan dit laatste.

Even later werden twee draagbakken uit het graf gebracht. De eerste was groot en droeg een rouwbouquet, precies gelijk aan dat, 't welk zes weken geleden was getransporteerd. Het was ongeveer geschikt als tegenwoordig nog met bouquetten geschiedt. De bladen waren nog intakt, de stengels stijf samengebonden. Op den tweeden draagbak lag een kleine krans, in vorm volkomen overeenkomende met moderne kransen, met nog een aantal voorwerpen van verschillende soort, w.o. een roode doos, precies gelijk aan die welke kort te voren was geborgen.

Hiermee waren de werkzaamheden voor vandaag afgeloopen. Ook zijn de overbrengingen uit de voorkamer van het graf hiermee geëindigd, want men is voorlopig niet van plan om de beide standbeelden weg te halen, en dat zijn de eenige voorwerpen die nog in het vertrek staan. Zij zullen daar ook worden gelaten, tot de opening van de binnenkamer zal hebben plaats gevonden.

Het werk, dat geschiedt in het laboratorium is als een voortdurende ontdekkingsreis, met de geweldige bekoring, dat elk nieuw voorwerp, dat ontdekt wordt, iets kan zijn, dat voor de moderne wereld totaal onbekend was en van de grootste historische beteekenis is. De jongste ontdekkingsreis is geweest in den inhoud van de roode doos, waarvan vroeger al gewag is gemaakt. De doos is niet groot, niet veel meer dan twee voet lang en een voet hoog, en bezit binnen, in het deksel op de wijze, welke kenmerkens is voor de zorg, waarmee alle artikelen oorspronkelijk voor de plaatsing in het graf gereed zijn gemaakt, een lijst van alle voorwerpen welke zij moest bevatten.

Terwijl werkelijk sommige voorwerpen nog overeenkomen met de lijst, heeft het bezoek van de roovers er blijkbaar toe geleid, dat sommige stukken verdwenen zijn en andere er nieuw zijn ingebracht. Allerlei dingen zijn er in gestopt, die er niet in thuis hooren; en het is verbazingwekkend wat een verscheidenheid van inhoud de doozen thans bezitten. Er is een heele laag van kleine plengvazen, gelijkende op die welke in de groote doozen voorkomen en die vroeger wel beschreven zijn als den indruk gevend van koffiekannen met tuit. Deze plengvazen zijn alle zoowat 15 cM. hoog en uitgevoerd in een bekoorlijke voiletblauwe tint. Sommige vertoonen de cartouche van Toet-ank-Amen en het zijn allerliefste kleine voorwerpen.

Bovendien zijn er tal van bekers, veel gelijkend op die, welke gevonden zijn in de bewaarplaats van koningsmummies te Dehr el Bahari. Deze bekers zien er echter fraaier uit en hebben mooier glas van 't zelfde aantrekkelijke violet-blauw als de plengofferpotten. Uit den toestand, waarin deze en andere voorwerpen zich bevinden, is af te leiden dat het zout hier niet zoo heeft ingevreten als in sommige deelen van de Thebaansche doodenstad.

Het belangwekkendst van alles waren twee beeldjes van gelijke gedaante. Het eene is van glas en schijnt, te oordeelen naar den stijl en den vorm van de figuur Akhnaton voor te stellen. De gestalte, ongeveer 10 c.M. hoog, is in gehurkte houding afgebeeld, met opgetrokken knieën en de vingers in den mond. Het beeldje is vermoedelijk gebroken geweest of gescheurd; in de streek van hals en knie is het namelijk met groote zorg aaneengelijmd. Het is een mooi, aantrekkelijk beeldje en we kunnen ons verbeelden, dat Akhnaton's dochter, de vrouw van Toet-ank-Amen het placht te dragen, tot op zekeren dag het koord brak en het beeldje op den grond viel. Wij kunnen ons voorstellen met welke zorg zij het beschadigde beeldje heeft hersteld en altijd in eere heeft gehouden.

De tweede figuur, in dezelfde houding, is van fijne kalksteen gemaakt, en zoo zorgvuldig gehouwen en van zoo mooie steen, dat het haast niet te gelooven is, dat het geen ivoor is. Verder bevat de doos een miniatuur bijl (zonder steel) en verschillende dingen, klaarblijkelijk kleeren van den koning, met ingeweven figuren. Er zijn nog verschillende doozen, die nog niet zijn aangeroerd, waaronder sommige grooter dan deze en het is niet te raden, welke schatten er nog ontdekt zullen worden.

In vorige telegrammen is melding gemaakt van het zoogenaamde borstharnas, waarvan op verschillende plaatsen stukken zijn gevonden. Enkele waren aangetroffen in het reliquiekistje, dat reeds nagezien is, andere op den grond op den weg naar het graf, alsof de roovers ze bij hun haastigen aftocht hadden laten vallen. De meeste zijn echter aangetroffen in deze roode doos. Het voornaamste werk van dit kuras bestaat uit smalle wigvormige of driehoekige plaatvormige gouden ketens, welke zoo aan elkaar zijn vastgemaakt, dat zij geheel buigzaam zijn, als een malienkolder. Deze schitterende achtergrond is bedekt met een versiering van licht blauw aardewerk of misschien glas, met een rand van een ander patroon. Bij het gedeelte dat in het reliquiekistje gevonden is, bevinden zich enkele stukken, welke in het midden van het geheel moeten hebben gezeten en het geheel vormt op het oogenblik een hoogst ingewikkelde legkaart. De heer Mace heeft de eer van een van de best geslaagde reconstructies, welke ooit zijn uitgevoerd, door het in elkaar zetten van twee prachtige ingelegde doozen, welke zich thans in het Metropolitan Museum te New-York bevinden, uit enkele duizenden splintertjes ivoor en een paar handen vol van het kleinste inleggoed. Bij dit kuras heeft hij de gelegenheid die verrichting te evenaren.

Een ander stuk van den inhoud van de kist is een bronzen slang, prachtig met goud en ingelegd, die blijkbaar deel uitmaakt van de een of andere versiering. Spelden aan de achterzijde moeten gediend hebben om het ergens aan vast te maken, ofschoon nog niemand getracht heeft te gissen, waaraan. Een ander voorwerp is een rond deksel van het een of andere vat, waarschijnlijk een kleine stoop of een groote pot voor zwart kleursel voor oogranden en wenkbrauwen van aardewerk met een magnifiek polychroom patroon, dat doet denken aan werk uit Tel-el-Amarna (de vroegere residentie van Akhnaton en Toet-ank-Amen).

Een R. Part bericht uit Loeksor meldt:

Gisteren werden herinneringen aan de geurende tuinen van het koninklijke Thebe wakker geroepen aan het einde van de dagtaak in het graf toen Toet-ank-Amen's bloemstukken naar buiten werden gedragen. De vorm van de boeketten is gelijk aan die op de muurversieringen welke de overwinningen van de Farao's voorstellen in den graftempel van het oude Thebe. De bloemen waren zwart verlept als braamstruiken in den winter, doch werkten sterker op de verbeelding van de toeschouwers dan de vele prachtige schatten, welke herinneren aan den begrafenisstoet van den Farao.

Het laatste werk, dat nog voor de opening van de binnenste kamer te doen overblijft is de opruiming van den chaos van palmmatten, welke liggen tegen de verzegelde deur. Deze chaos bevat wellicht nog kleine kostbare voorwerpen.

Het Hollandsche Nieuwsbureau verneemt d.d. heden uit Londen:

Aangaande het verdere werkprogramma heerscht grote onzekerheid. Sommigen meenen, dat de eigenlijke grafkamer zal worden geopend zoodra de Koningin der Belgen is aangekomen. Anderen betwijfelen dit om verschillende redenen, waarvan wel de voornaamste is, dat men volstrekt niet zeker is of het voorwerk reeds als geëindigd kan worden beschouwd. Er is n.l., zooals bekend is, een tweede vóórvertrek gevonden, dat met een kleine, door de roovers gemaakte opening in het eerste vóórvertrek uitmondt. Door deze opening ziet men in den achterwand een tweede gat in den muur, doch er zijn zoo talloos vele voorwerpen van allerlei aard voor de eerste opening opgetast, dat men niet naar binnen kan komen. Hieruit concludeert men, dat zij, die deze gaten maakten ook niet door die opening naar buiten konden komen, zoodat er van dit tweede vóórvertrek een andere uitgang moet bestaan. Men weet voorts, dat er vaak een soort grafkapel vóór het graf aanwezig was, zoodat het niet is uitgesloten, dat de deur door de twee beelden bewaakt, eerst nog in die grafkapel leidt, zoodat er nog ten minste twee vóórvertrekken zouden zijn te onderzoeken vóór men aan het graf zelf komt.

Volgende →