[an error occurred while processing this directive]

Het graf van Toet-ank-Amen.

De (houten) doodskist van Toet-ank-Amen blijft dus — men heeft het in het Ochtendblad kunnen lezen — voorloopig dicht. Natuurlijk zal dit uitstel en geen afstel zijn; want iedereen — in de allereerste plaats de Egyptische regeering, de Egyptische kunstenaren en het Egyptische volk zelven — popelt van begeerte om te weten, wat er in de kist ligt. Er kunnen n.l. papyri met zeer belangrijke nieuwe bijzonderheden in worden aangetroffen, dan de "boeken der dooden". En ook de ongetwijfeld in de kist aanwezige lijfsieraden, de wijze van balsemen, de leeftijd van den doode, wellicht ook de vermoedelijke doodsoorzaak, zullen na de opening bekend kunnen worden.

Hoe groot de teleurstelling is voor het groote publiek, de Egyptologen, maar vooral voor den onvermoeiden en hardnekkigen Carter — die na zestien jaar zoeken tot het geheimste geheim was doorgedrongen, maar thans de laatste onthulling niet kan verwijderen — komt ten duidelijkste uit in wat de Londensche Times — zoo uit Loeksor als in een te Londen geschreven hoofdartikel — publiceerde omtrent de hooggespannen verwachtingen. Wij volstaan met enkele citaten, waarbij dient opgemerkt, dat, toen de Times deze dingen publiceerde, de plotselinge stopzetting van het werk door Carter nog niet bekend was:

"Veele zonderlinge tooneelen en tal van verwonderlijke gebeurtenissen hebben zich in het Dal der Koningen afgespeeld, sinds dit als koningenbegraafplaats was gekozen in de dagen van het nieuwe Thebaansche rijk, maar dit laatste zal ongetwijfeld in de herinnering blijven als de meest belangwekkende en de meest dramatische in Egypte's lange geschiedenis.

Het graf, dat meer belangstelling heeft gewekt en tot meer twistgeschrijf heeft aanleiding gegeven dan wat anders ook in de annalen van het oudheidkundig onderzoek in Egypte, heeft thans niet enkel opnieuw een van de vele sedert 3200 jaren jaloers verborgen gehouden geheimen geopenbaard, doch tevens heeft het de oplossing geleverd van een der grootste mysteries, dat tot dusver den archaeologen van alle tijden te moeilijk was geweest.

Steeds sinds het, zoowat een jaar geleden, duidelijk was geworden, dat de kamers, in November 1922 ontdekt, het graf moesten zijn van den lang gezochten koning Toet-ank-Amen en niet enkel — naar eerst was aangenomen — een geheime bergplaats van zijn begrafenisgerei, maar meer nog sinds de deuren van de binnenschrijnen met de oorspronkelijke zegels intact werden aangetroffen, en de sarkofaag werd vrijgemaakt van de omringende hulsels, was de allesbeheerschende gedachte van allen, die met het werk iets te maken hadden, gericht op dat supreme oogenblik, waarin het deksel van de sarkofaag, waarin de geheimzinnige vorst ligt, zou worden gelicht. Voor de eerste maal toch — niet enkel gedurende hun leven, doch ook in den geheelen modernen tijd, zou er voor het levend oog de wijze van begraven van een koning in het Oude Egypte worden onthuld, juist zooals dit 13 eeuwen vóór het begin onzer jaartelling was voltrokken.

Dat supreme oogenblik nu is sinds gisteren (Donderdag) gekomen"

En elders lezen wij in de Times:

"... Van de eerste berichten omtrent het tastend zoeken, tot aan de eindoverwinning, heeft het relaas de belangstelling van vrouwen en kinderen in vele landen tot het uiterste gespannen gehouden. Er is niet één enkele onder ons, of hij heeft den heer Howard Carter benijd. Een groot avontuur op touw te zetten, het te gaan uitvoeren, er genoegen en verdriet aan te beleven, en het definitief, volkomen en glorierijk tot een goed einde te brengen, ten aanschouwe van de geheele wereld — dit alles is slechts weinigen beschoren. De heer Howard Carter is niet enkel gelukkig. Hij heeft ook geleden in zijn arbeid, als gevolg van moeilijkheden die erkend of verborgen zijn, en in het verlies van zijn vriend en patroon, die het avontuur mogelijk maakte. En naast zijn vermetelheid en zijn volharding toonde hij zich bezitter van twee niet op den voorgrond tredende eigenschappen, welker ontstentenis zijn onderneming zou hebben doen mislukken. De eene is eerbied, de andere geduld. Hij is de rustplaats van een koning binnengegaan, opdat de menschelijke kennis er door zou worden verrijkt en de menschelijke geest er beter door zou worden geopenbaard. En wat zijn geduld betreft, enkel hijzelf en zijn onmisbare medewerkers zouden kunnen zeggen, hoe moeilijk zij het herhaaldelijk moeten hebben gevonden, telkens en telkens weer geduld te oefenen, wanneer het definitieve succes binnen bereik scheen, doch alleen om weer uit hun groep te verdwijnen. Thans heeft hij zijn belooning."

Dit schreef de Times nog slechts gisteren. En thans is voor Carter de ontgoocheling alweer gekomen, en zal hij weer geduldig moeten zijn.

Men is geneigd te vragen: "hoe lang nog?"

(Times-Carnarvondienst; nadruk verboden.)

De aanleidende oorzaak tot Carter's besluit der stopzetting van de werkzaamheden in het graf van Toet-ank-Amen komt tot uiting in een brief, dien hij op 3 Februari j.l. schreef aan de Egyptische regeering:

Deze brief is gericht aan den gouverneur-generaal van den Oudheidkundigen dienst in Cairo en luidt als volgt:

"Nota nemende van uwe verklaring "le gouvernement ne discute plus", betuig ik u mijn leedwezen, dat u het rechtsgeleerde staatsdepartement hebt geraadpleegd. Ik zeg met leedwezen, doordat het mij waardiger en voorzichtiger zou zijn voorgekomen, alle geschillen omtrent de finale bestemming van de gevonden schatten uit te stellen, totdat het behoud van die schatten zal zijn bewezen.

Door de beslissende wijze, waarop u verklaart, dat de gevonden voorwerpen toebehooren aan het "publiek domein", dat de rechten van het gouvernement "exclusief" zijn en dat het voorbehoud der regeering en van graaf Carnavon er niets mee te maken hebben, waren wij gedwongen om het wetenschappelijk werk op te geven, teneinde te beoordeelen, hetgeen ik nog immer als een zaak van ondergeschikt belang beschouw, namelijk de wettelijke rechten, door het vinden van de bewuste voorwerpen geschapen."

Carter haalt dan artikel 11 van de Egyptische wet van 1922 met betrekking tot de wet op de opgravingen aan en vervolgt dan: "Volgens dit artikel begint het uitsluitend recht van uw departement niet voor en aleer ik voldoende tijd heb gehad de graftombe te onderzoeken en zulke aanteekeningen en notities te maken als ik noodig zal oordelen. Het zal U ongetwijfeld bekend zijn dat ik totdusver slechts een klein gedeelte van de graftombe heb kunnen onderzoeken en het fundamenteele recht op dit onderzoek en het maken van notities zal ik zelf niet opgeven en zoo noodig weten te verdedigen.

Dit recht werd trouwens onomwonden door U zelf erkend in Juli 1922 toen, na het overlijden van graaf Carnavon, zooals U verklaarde ten einde de zaak in het reine te brengen, aan gravin Carnavon machtiging werd verleend, het werk der opruiming van Toet Ank Amen's graftombe te voltooien. De eenige voorwaarde, welke daaraan verbonden was, was dat Uw departement het recht zou behouden, zoodanige controle uit te oefenen als noodig werd gevonden ter vermijding van kritiek in de pers en teneinde de onderzoekers in de graftombe zooveel mogelijk tegen onnoodige bezoeken te beschermen.

Ook werd uitdrukkelijk erkend, dat het recht van publicatie uitsluitend aan de gravin van Carnarvon zou toebehooren. Ofschoon echter te dien opzichte geen enkele bepaling werd getroffen voor de voltooiïng van de werkzaamheden in de graftombe, zou het mij, en alle overige wetenschappelijke werkers ten zeerste spijten, indien de mij toegestane termijn voor de voltooiïng van het zoo onvergelijkelijk belangrijke werk, zou worden beperkt. Zelfs moet ik u mededeelen, dat ik niet kan instemmen met den nieuwen vorm van het contract, waarbij de regeering zich het recht voorbehoudt, dat zij niet zal gaan uitoefenen."

Carter zet dan in den breede uiteen, hoezeer er inbreuk is gemaakt op de rechten, aan lord Carnarvon verleend, die na zijn dood zijn overgegaan op gravin Carnarvon. Het Egyptische departement van openbare werken eischt thans het recht tot uitoefening van controle op het bezoek aan de graftombe, terwijl artikel 2 van de aan Carnarvon verleende concessie bepaalt, dat het departement van den oudheidkundigen dienst het recht van toezicht op de werkzaamheden zal hebben en op de wijze van werken om het welslagen van de onderneming te verzekeren.

Daarover schrijft Carter: "Als de voorgenomen contrôle op het bezoek iets te maken had met het welslagen der onderneming, dan zou ik de laatste zijn om mij daarbij aan te sluiten, maar dit is niet het geval. Het meerendeel van de bezoekers, die ik gedwongen werd toe te laten, waren persvertegenwoordigers en het doel van hun toelating was niet, het welslagen van de onderneming te verzekeren, maar was een inbreuk op het recht van publicatie, dat, zooals werd erkend, uitsluitend aan gravin Carnarvon toekomt."

Carter toont dan aan, welke rechten aan lord Carnarvon bij de hem gegeven concessie van 18 April 1915 werden verleend en hoezeer de houding van den Egyptischen oudheidkundigen dienst daarop inbreuk heeft gemaakt.

Aan het einde van zijn langen brief wijst Carter erop, dat zijn werk niet om winst werd ondernomen, maar in het belang van de wetenschap en dat de tombe door hem, in vereeniging met lord Carnarvon, een belangrijk voordeel heeft bezorgd aan Egypte en het departement van den oudheidkundigen dienst.

[Reeds in een gedeelte van onze vorige oplaag opgenomen geweest].

Volgende →