[an error occurred while processing this directive]

Het leeghalen van een Egyptisch Koningsgraf.

(Times-Carnarvon-dienst; nadruk verboden.)

Loeksor, 7 Februari

Sinds gisteren hebben, behalve de gewone Nijlbooten, drie groote touristenbooten aan den Oostoever der rivier aangelegd, waardoor het aantal zomergasten van dit heerlijk plaatsje aanzienlijk is toegenomen.

Zooals men kon verwachten, was er hedenmorgen een groote toeloop naar de Vallei der Koningen, maar iedereen zou teleurgesteld worden. Men had n.l. besloten niets uit het graf te voorschijn te halen, daar mr. Lucas en mr. Mace absoluut eenige noodzakelijke werkzaamheden in het laboratorium moesten voltooien.

Lord Carnarvon is voor persoonlijke aangelegenheden terug naar Kairo vertrokken en wordt Vrijdag terugverwacht.

Er heerscht algemeen een ongeduldige en nieuwsgierige stemming, vooral onder de onderzoekers zelf, en intusschen is er geen bepaalde datum voor het openen der volgende kamer vastgesteld, of zelfs maar overwogen, zoodat het even goed binnenkort, als over tamelijk langen tijd kan geschieden.

Het weghalen der voorwerpen uit de buitenste kamer is bijna voltooid, maar voor men haar door het onderbrengen van verscheidene andere voorwerpen in een soort rommelkamer zal kunnen veranderen, moet deze buitenste kamer grondig onderzocht worden, tot zelfs het ziften van het zand en het stof op den vloer. Dan is er nog het probleem van de zoogenaamde annexe-kamer.

Deze annexe is een tweede vertrek, uitkomend in de reeds genoemde kamer, en is geheel volgepropt met allerlei nog onaangeroerde voorwerpen. Dit vertrek heeft tot nu toe geen anderen toegang dan door een dicht bij den grond aangebrachte kleine opening, half verborgen onder de eenige bank, die nog is blijven staan. Dit gat is door roovers gemaakt, en groot genoeg om het hoofd en de schouders van een man door te laten. Alleen de weinige personen, die het voorrecht hadden onder de bank te mogen kruipen en hun hoofd door het gat te mogen steken, hebben bij het schijnsel van een electrische lamp, welke zij naar binnen hielden, een blik mogen werpen in het inwendige van deze kamer.

De vloer van deze annexe ligt eenige voeten lager dan die van de andere kamer. De vloer staat vol voorwerpen van mindere of meerdere waarde en schoonheid. Over het algemeen zijn deze voorwerpen kleiner dan die welke in de andere kamer gevonden werden, doch er bestaat verschil van opinie over de kwestie of de eerste schooner en kostbaarder zijn of niet. Evenwel zijn allen het er over eens, dat dit vertrek een merkwaardige collectie stoffen bevat, waarvan er vele van ontegenzeggelijke schoonheid zijn.

Het is intusschen een uiterst moeilijk vraagstuk, hoe de voorwerpen uit deze annexe te krijgen.

Bij het maken van hun hol hebben de roovers de steenen naar buiten geduwd in plaats van ze uit te breken en men weet reeds, dat die steenen in hun val verscheidene voorwerpen hebben verbrijzeld.

De vloer daaronder ligt zoo vol, dat niemand er een voet kan neerzetten. De opening zal op een of andere wijze moeten vergroot worden, en men zal dan een aantal voorwerpen er uit moeten halen, totdat er voldoende ruimte en plaats is, om te kunnen staan.

Misschien kan dat gedaan worden door een plank door de opening te steken, deze aan den binnenkant volgens het bascuulprincipe vast te maken, zoodat een soort stellage wordt gevormd, van waar men de voorwerpen kan bereiken en door de opening brengen, totdat voldoende ruimte is gemaakt om den onderzoekers gelegenheid te geven in de annexe af te dalen. Dit is evenwel nog slechts een van de besproken plannen en men zal wel op een of andere wijze aan deze moeilijkheden het hoofd weten te bieden. Het onmiddellijk probleem is nog van een ander soort.

Nu de buitenste kamer geopend is, zal door het hol min of meer lucht de annexe binnen dringen. In hoeverre is dit nadeelig? Moet uit archeologisch en wetenschappelijk oogpunt beschouwd, deze kamer niet schoon gemaakt worden voor men de verzegelde deuren der binnenkamer opent, waarachter de voorwerpen even veilig tegen de inwerking der atmosfeer beveiligd zijn als 3000 jaar geleden?

Maar dit zal een werk van maanden zijn. Lord Carnarvon en mr. Carter beschikken slechts over menschelijke kracht. Die sphinxachtige, verzegelde muur met zijn twee beelden van den Koning, staart hen dagelijks aan, en zij hebben reeds op bewonderenswaardige wijze hun nieuwsgierigheid bedwongen. Zij moeten in zekeren zin ook met de rest van de wereld rekening houden en zooals uit telegrammen, brieven etc. blijkt, is de halve wereld dol van onzekerheid en ziet met spanning uit naar den beslissenden stap. Daarbij moet niet vergeten worden, dat het tegenwoordig laboratorium in de grafkamer van Seti den Tweeden overvol is.

Het Hollandsch Nieuwsbureau verneemt uit Londen:

Uit Loeksor wordt bericht, dat de berging van de voorwerpen uit de grafkamer van Toet-ank-Amen gisteren geen voortgang kon hebben, aangezien de electrische installatie, die door Carter is aangelegd om de gewelven te verlichten, haperde.

Hierdoor wordt de kans alweer kleiner, dat men binnen een week tot het openen der vermoedelijke grafkamer zelf zal kunnen overgaan. Bovendien was het een teleurstelling voor de vele bezoekers aan de Vallei der Koningen, wier tijd veelal beperkt is en die er toch gaarne iets van hadden gezien.

De woordenstrijd tusschen de geleerden omtrent de beteekenis van de buste, die eergisteren te voorschijn is gebracht, houdt nog steeds aan en men beschikt thans over vijf verschillende theorieën. De buste zou een portret van den Farao zijn. Dan wel de kapperspop, waarop de kapper 's konings pruik placht te schikken. Ten derde: de buste zou moeten dienen voor het plooien van het vorstelijk gewaad. Ten vierde: men zou niet te maken met een portret, doch met een "swabati", de voorstelling van den dienaar, die in de Doodenwereld handenarbeid voor den gestorven vorst had te verrichten. Ten slotte: het zou niet de afbeelding zijn van den Farao, doch van zijn gemalin. Deze laatste theorie lijkt nog steeds de meest aannemelijke. En wel omdat het hoofd met vrij groote zekerheid een vrouw voorstelt, zooals ook blijkt uit de traditioneele kleur, die de Egyptenaren steeds uitsluitend voor vrouwefiguren gebruikten. Voorts draagt het hoofd de slangenkroon, de Uraeus, die door koning Aketanon werd ontworpen voor zijn eigen gemalin en dochters, die de legitieme opvolgsters in het Egyptisch koningschap waren. Waar het bekend is dat Toet-ank-Amen een dochter van Aketanon huwde, ligt dus deze oplossing voor de hand, dat de buste deze vorstin voorstelt. Bovendien weet geen der voorstanders van de theorie, dat het een beeld van den Farao zelf zou zijn, te verklaren, wat de bedoeling zou zijn het eigen portret van den overledene in de tombe te plaatsen, terwijl er allerlei traditioneele gronden zijn aan te voeren voor de waarschijnlijkheid, dat het beeld zijner gemalin hem werd medegegeven.

De bewering, dat Toet-Ank-Amen nog geen twintig jaar zou zijn geweest bij zijn overlijden waarmede dan het jeugdig en vrouwelijk uiterlijk der buste zou worden verklaard, is tot dusverre door geen enkel bewijs gestaafd.

Zooals bekend is heeft de Britsche Vereeniging van Archeologie een school in Egypte, die zich bezig houdt met opgravingen. Deze geschieden onder leiding van prof. Flinders Petrie en Brunton. Laatstgenoemde heeft in de buurt van El Kebir, in het district Assioet, een vondst gedaan, die zoowel archaeologisch als anthropologisch van groot belang is. Bij het graven nl. vond hij te midden van overblijfselen uit de 19e Dynastie een reeks voorwerpen, veelal ernstig beschadigd, die uit de 1e Dynastie dagteekenen en daartusschen een hoeveelheid fossiele menschenschedels, die bij nader onderzoek geenszins de aapachtige kenmerken toonden, die o.a. bij den schedels van het Neandertal worden aangetroffen.

Uit Londen wordt ons d.d. heden gemeld:

De Morning Post verneemt uit Loeksor, dat allerlei geschillen ten aanzien van Toet-ank-Amen's graf in Egypte achter de schermen woeden. Er is een strijd gaande tusschen de ontdekkers en het Egyptische departement voor de oudheden ten aanzien van de grenzen der respectieve belangen. Dit brengt de toekomst van het archeologisch onderzoek in Egypte in gevaar. Er wordt gevreesd, dat de gespannen verhouding de Egyptische regeering bitter zal stemmen tegenover alle buitenlandsche opgravers. De regeering bereidt reeds een wet voor, die haar alle rechten zal geven op de oudheden in eenig deel van Egypte te vinden.

Het geschil is reeds de fase voorbij, waarin alleen de ontdekkers van dit graf en het Egyptisch departement van oudheden erbij betrokken zijn: en tenzij lichamen als de Egypt-Exploration Society en het New York Metropolitan Museum hun verzachtenden invloed kunnen uitoefenen of zich kunnen losmaken van de houding door de ontdekkers van Toet-ank-Amens graf aangenomen, de Egyptische autoriteiten ook op hun belangen niet langer acht zullen slaan.

De correspondent voegt er aan toe, dat de groote meerderheid der archeologische expedities in het Nijldal het geschil diep betreuren en begeeren er niet in betrokken te worden, te meer, daar zij de politiek, door de huidige ontdekkers gevolgd, niet goedkeuren.

De Wereldkroniek van deze week bevat een groot aantal zeer fraaie reproducties van foto's genomen van belangrijke voorwerpen in het graf van Toet-ank-Amen of voorwerpen uit dat graf reeds naar elders overgebracht. Ook de uitgang en een gang in het graf zijn afgebeeld. Er is bij de zeer duidelijk gereproduceerde foto's uitvoerige verklarende tekst gevoegd, terwijl van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook van de Egyptische schatten in ons Rijksmuseum van oudheden te Leiden tal van belangrijke afbeeldingen te geven.

Volgende →